Europese Unie Richtlijnen Geluidshinder voertuigen




4.9.5. Geluidshinder RECHTSGRONDSLAG EN DOELSTELLINGEN * 4.9.1

WAT ER TOT STAND IS GEBRACHT
1. Algemeen
Tot dusverre is in vijf actieprogramma's betreffende de milieubescherming rekening gehouden met bescherming tegen geluidshinder. In het vijfde actieprogramma is naast de invoering van een lawaaikadaster en programma's ter bestijding van geluidshinder een verdere vermindering van het geluidsniveau van motorvoertuigen, vliegtuigen en machines aangekondigd.
In het kader van het EG-beleid voor bescherming tegen geluidshinder zijn economische stimulansen voor de markt onmisbaar. Als mogelijke maatregelen kan gedacht worden aan:
    - subsidies op de aanschaf van lawaaiarme producten;
    - wettelijk voorgeschreven productinformatie;
    - lawaaiheffingen volgens het principe dat de vervuiler betaalt;
    - invoering van geluidshindervergunningen;
    - subsidies voor de ontwikkeling van producten die minder lawaai veroorzaken.

2. Wettelijke bepalingen per sector
Over bescherming tegen geluidsoverlast is een reeks richtlijnen vastgesteld. Een maximaal toegestane geluidsemissie wordt onder meer voorgeschreven voor motorvoertuigen, motorfietsen, trekkers voor land- en bosbouw, huishoudelijke apparatuur, grondverzetmachines, bouwapparatuur, gazonmaaiers en subsone burgervliegtuigen.

Bijzondere aandacht wordt geschonken aan het auto- en vliegverkeer, omdat dit voor bijzonder veel geluidsoverlast zorgt.

a. Motorvoertuigen

De richtlijn van de Raad over het toelaatbaar geluidsniveau en uitlaatsystemen van motorvoertuigen (70/157) geldt voor alle motorvoertuigen die in het wegverkeer harder kunnen rijden dan 25km per uur.
- Voor personenauto's gold een grenswaarde voor het toelaatbaar geluidsniveau van 77 dB(A); deze is verlaagd naar 74 dB(A) in 1995/96. Dat komt overeen met een halvering van het geluidsniveau, dat wil zeggen twee auto's van de volgende generatie zijn samen even luidruchtig als één auto op dit moment. De bereikte duidelijke vermindering van het lawaai bij de aandrijving van personenauto's wordt echter door de stijging van het aantal voertuigen en van het autogebruik en door de krachtiger en zwaardere voertuigen ten dele tenietgedaan.
- De in november 1992 door de EG vastgestelde grenswaarde voor zware vrachtwagens bedraagt 80 dB(A). Zo wordt deze zogenaamde lawaaiarme vrachtwagen het modelvoertuig voor het goederenvervoer op de Europese wegen. Met ingang van 1995/1996 zijn in het stadsverkeer - gemeten naar de grenswaarden voor het toelaatbaar geluidsniveau en met inachtneming van de meetprocedures - 25 nieuwe vrachtwagens bij elkaar even luidruchtig als een enkele vrachtwagen aan het begin van de jaren '80. Vrachtwagens die voldoen aan de grenswaarden, kunnen sinds 1994 op een bijzondere manier worden gemerkt. Op deze wijze is de controle op de voordeelsregelingen voor gebruikers van lawaaiarme vrachtwagens sterk vereenvoudigd. Dat is met name van belang voor het in Oostenrijk op alle transitautowegen en aansluitende bondswegen geldende nachtelijk rijverbod van 22.00 tot 5.00 uur, waarvan lawaaiarme vrachtwagens (grenswaarden: 78 dB(A) voor vrachtwagens < 150 kW en 80 dB(A) voor vrachtwagens > 150 kW) zijn uitgezonderd.

b. Gemotoriseerde tweewielige voertuigen

Het lawaaiproductie van gemotoriseerde tweewielige voertuigen is al lang door EG-richtlijnen ( richtlijn 78/1015) aan banden gelegd. Deze richtlijnen omvatten verschillende fasen. De laatste fase voor vermindering van geluidsemissie is in 1993/1994 van kracht geworden. Hierin zijn de grenswaarden voor toelaatbaar geluidsniveau van motoren tot 80 cm3 vermogen 75 dB(A), tussen 80 en 175 cm3 77 dB(A) en met meer dan 175 cm3 vermogen 80 dB(A).

c. Vliegtuigen

Met de richtlijn van de Raad inzake de vermindering van geluidsemissies van subsonische vliegtuigen (80/51) wordt de afgifte van gebruiksvergunningen beperkt tot vliegtuigtypes die voldoen aan de eisen van de overeenkomst betreffende de internationale luchtvaart, 3de editie, juli 1978 (deel 3, tweede deel, hoofdstuk 3 van bijlage 16) of gelijkwaardige eisen. De richtlijn is gebaseerd op de normen van de Internationale Burgerluchtvaartorganisatie (ICAO) en beoogt het door vliegtuigen veroorzaakte lawaai met inachtneming van de milieubescherming, de technische mogelijkheden en de economische gevolgen te verlagen.
Op grond van richtlijn 92/14 mogen de luchthavens in de lidstaten alleen nog worden aangevlogen door subsonische straalvliegtuigen die motoren met een omloopverhouding van 2 of meer bezitten, of voldoen aan de eisen van de bovengenoemde overeenkomst of nog geen 25 jaar in bedrijf zijn. Vrijstellingen zijn mogelijk voor de vliegtuigen van bepaalde bijzonder arme ontwikkelingslanden.
Voor luchtvaartmaatschappijen waarvan de exploitatie op de helling zou komen te staan, kan de bovengenoemde bedrijfsduur met maximaal drie jaar worden verlengd. Het is mogelijk gedurende een overgangsperiode een bepaalde ontheffing te krijgen, om de technische modernisering van vliegtuigen mogelijk te maken. Overigens wordt geen enkele luchtvaartmaatschappij gedwongen haar vliegtuigbestand met meer dan 10% per jaar te verlagen. Met ingang van 1 april 2002 dienen alle subsonische straalvliegtuigen te voldoen aan de eisen van hoofdstuk 3. De lidstaten kunnen voor individuele gevallen en voor vluchten die voor het onderhoud van vliegtuigen noodzakelijk zijn, uitzonderingsregelingen vaststellen. Ook zijn voor vervangende vliegtuigen onder bepaalde voorwaarden ontheffingen mogelijk, evenals voor vliegtuigen van historische waarde.
Verordening van de Raad 925/1999/EG werd aangenomen, welke betrekking heeft op de inschrijving en het gebruik in de Gemeenschap van bepaalde typen civiele subsonische straalvliegtuigen die werden aangepast en gerecertificeerd als zijnde in overeenstemming met de normen van boekdeel I, deel II, hoofdstuk 3, van bijlage 16 van het Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart, derde uitgave (juli 1993) (de zogenoemde "anti-hushkits"-verordening).
De richtlijn betreffende de milieueffectbeoordeling (richtlijn 85/337) geldt voor particuliere en openbare projecten, dat wil zeggen voor gebouwen en andere ingrepen die gevolgen hebben voor natuur en landschap. Voor luchthavens met een start- en landingsbaan van meer dan 2.100 meter is een door de lidstaten op te zetten controleprocedure voorzien, waarin onder meer de belangrijkste gevolgen van het project voor het milieu vastgesteld en beoordeeld worden. De procedure behelst met name een openbare hoorzitting.

d. Spoorwegverkeer

Het door de Deutsche Bahn AG, de Oostenrijkse Bundesbahn en de Italiaanse staatsspoorwegen gezamenlijk geïnitieerd ontwikkelingsprogramma "Low Noise Train", is gericht op een aanzienlijke vermindering van de geluidsemissie van het hele systeem tot maximaal 23 dB(A) door het gebruik van vanuit geluidstechnisch oogpunt optimale, nieuwe goederenwagons. Tevens wordt ernaar gestreefd het goederenvervoer per spoor door een vermindering van de "Life Cycle Costs" met 40% van de huidige kosten alsmede door verhoging van de snelheid tot maximaal 160 km/uur aantrekkelijker en dus concurrerender te maken. In het kader daarvan wordt in de komende jaren gewerkt aan de ontwikkeling van een à twee verschillende locomotieven alsmede van drie à vijf verschillende telkens aan het te vervoeren product aangepaste wagontypes, waarbij een prototype voor test- en meetdoeleinden eind 1997 ter beschikking moet staan.
Wat betreft de EG-wetgeving is een voorstel uit 1984 betreffende harmonisatie van de wettelijke voorschriften ten aanzien van de geluidsemissies van spoorvoertuigen op 28 juli 1993 door de Commissie ingetrokken.

e. Handel en industrie

De bronnen van storend industrieel lawaai omvatten tevens bouwplaatsen, daar deze zich in de openlucht en vaak nabij woonwijken bevinden. Sinds 1984 heeft de EG maxima vastgesteld voor het lawaai van een aantal frequent gebruikte typen bouwmachinerieën (b.v. betonbrekers stroomgeneratoren, compressoren en grondverzetmachines). De grenswaarden worden vastgesteld in een typeonderzoektest en worden op de machines vermeld voordat deze in de EU in de handel gebracht worden. De grenswaarden zijn in juli 1995 enigszins verlaagd, bij de aanneming van EU-richtlijn 95/27/EG betreffende de beperking van geluidsemissies van hydraulische graafmachines, die sinds december 1996 limieten voorschrijft die berekend zijn door middel van een praktische meetprocedure en die globaal ongeveer 3 dB lager zijn dan de tevoren geldende waarden. Er zijn maatregelen genomen om te komen tot een verdere verlaging met 3 dB(A) vanaf december 2001.

ROL VAN HET EUROPEES PARLEMENT

Het Europees Parlement heeft steeds weer gehamerd op een sterkere verlaging van de grenswaarden en een verfijning van de meetprocédés. In de luchtverkeerssector dient te worden gedacht aan de invoering van een verbod op nachtvluchten, aan een luchthavenbelasting die gekoppeld is aan het geproduceerde geluid en aan voorkoming van bijzonder luidruchtige start- en landingsmanoeuvres boven woongebieden in de buurt van luchthavens. Voorts wenst het Parlement dat ook voor militaire subsone straalvliegtuigen verlaagde geluidsemissies worden toegepast 10/03/2000

Naar boven     Home